zaterdag 4 april 2026

Mijn wandel biotoop

 

Een biotoop is een ruimtelijk begrensde leefomgeving waarin specifieke planten, diersoorten en mensen verblijven en actief zijn. Het is een fysieke plek met de karakteristieke factoren die een levensgemeenschap nodig heeft.

    Elke ochtend zijn ze er ongeveer net zo vroeg als ik. Zes uur in de ochtend; zo’n drie kwartier voor het licht wordt. De trupiaal en de chuchubi fluiten er al lustig op los wanneer ik mijn auto parkeer naast de Batidokraam op de nog lege parkeerplaats bij de Centrum Super Market, vijf minuten van ons huis vandaan. Misschien wat vreemd om eerst een stukje de auto te nemen om vervolgens vijf kilometer te gaan wandelen. Maar daar is een goede reden voor. De wegen hier op Curaçao hebben geen voetpaden en ook de bermen zijn meestal smal, ongelijk en begroeid met prikkende struiken. Wandelen is, zeker in het donker, niet aan te bevelen. Maar bij de supermarkt waar ik zojuist heb geparkeerd, loopt een vierbaans weg met aan weerzijde een vrij liggend fietspad en voetpad over een lengte van ruim twaalfhonderd meter. En dat stuk, met een beetje vals plat, loop ik sinds anderhalve maand elke ochtend twee keer heen-en-terug.

    Met de lampen van mijn auto zet ik de visboer in het licht. Vijf dagen in de week is hij daar om zes uur bezig om vissen, altijd red snappers, schoon te maken. Hij heeft zijn pick-up truck geparkeerd onder een grote boom en naast een provisorische tafel gemaakt van pallethout. Die tafel staat met een ketting vast aan de boom en blijft daar dag en nacht staan. Zijn weegschaal heeft hij aan een tak van de boom gehangen. Op de klep van zijn pick-up staan de koelboxen met verse vis. Zodra ik uitstap kijkt hij om en roept me vrolijk toe:  “Bon dia, bon dia, tur kos ta bon?”

   Wanneer ik mijn oortjes in mijn telefoon stop en de podcast open die ik aan het luisteren ben, rijdt een witte Kia cross-over achter mijn auto langs. De chauffeuse toetert kort en zwaait naar me. Het is de mevrouw van de Batidokraam. Wanneer ik over een uurtje klaar ben met wandelen, is het licht en is  ze open. Meestal heeft ze het dan druk. Ze maakt verse vruchtendranken en verkoopt pastechi’s en koffie. Op zaterdagochtenden drink ik een kopje koffie bij haar en neem voor mijn vriendin een lekkere batido mee.

    Ik start de podcast, loop langs de visboer en steek de weg over. Nu kan dat nog makkelijk en veilig, er is nog weinig verkeer. Aan de overkant van de weg is een bushalte. Elke ochtend zitten dezelfde drie mensen er op de bus te wachten en iets naast de bushalte staat elke ochtend dezelfde man. Ik groet ze allemaal beleefd met een ‘bon dia’ en op de maandagen met een ‘bon siman’. Meest typerende van de drie op de bank, is een kleine oudere meneer. Ik denk zo’n vijfenzeventig jaar. Hij heeft altijd een oud transistorradiootje in zijn hand en luistert daarmee naar een lokale zender.



    Iets voorbij de bushalte draai ik naar links het voet-fietspad op. In een rechte lijn loop ik naar de rotonde die ruim twaalfhonderd meter verderop ligt en weer terug. En dat doe ik dus twee keer. Het is een populaire plek om te wanden en hard te lopen. Nu ik dat zes weken lang, dagelijks doe, is er een aantal mensen die ik regelmatig tegenkom. Sommigen zijn er vaak en anderen soms. In mijn hoofd geef ik ze een naam en ik fantaseer waar ze vandaan komen en wat ze de rest van de dag zullen doen.

 Vrolijke Frans is iets kleiner dan ik ben, een jaar of vijfendertig, draagt een grote koptelefoon en lacht altijd. Wanneer we elkaar tegenkomen krijg ik altijd een dubbele ‘thumbs-up’ van hem. Ook wanneer we elkaar die dag drie of vier keer tegenkomen bij het op en neer lopen. Ik denk dat hij iets doet in de zorg.

 Jut en Jul is een echtpaar, althans dat denk ik. Allebei dun. Hij is bijna twee meter lang en zij vijftig centimeter korter. Beiden hebben een wat norse blik en ik heb ze nooit met elkaar zien praten. Ik denk dat zij een rondje lopen in plaats van hetzelfde stuk op en neer. Ik kom ze altijd maar een keer tegen. Ik denk dat ze al langere tijd in de villawijk hierachter wonen, niet meer werken en in een sleur zijn beland.

 Happy Arms is een lange slanke mooie man. Zijn uiterlijk en zijn kleding zijn zeer verzorgd; ik denk dat hij gay is. Tijdens het wandelen, zwaait hij met zijn onderarmen, die hij horizontaal houdt, heen en weer. Prima voor het verbranden van extra calorieën en het ziet er grappig uit. Bij elke keer dat we elkaar tegenkomen, groeten we elkaar met ‘bon dia’. De eerste keer luid en de keren erop wat zachter. Ook van hem denk ik dat hij iets in de zorg doet.

 Good Doctor is een hardloper. Lang met een atletisch uiterlijk en een horloge waarop hij zijn tijden bijhoudt. Hij loopt net als ik een aantal keren op en neer. Door het tempoverschil beperkt groeten zich tot een eerste keer een snel ‘bon dia’ en de volgende keren tot een knikje met het hoofd. Ik denk dat hij arts, al dan niet aan het specialiseren, is en in het Curaçao Medical Center werkt.

 Dog Lady is een kleine tengere dame van zo’n veertig jaar die een keer op en neer loopt. Ze heeft altijd vier honden aan de lijn bij zich: drie witte poedeltjes en een Westpointer. De poedeltjes elk aan een kleurrijke dunne lijn en de Westpointer aan een stoere dikke lijn. Ze loopt een stukje langzamer dan ik. Wanneer ik haar achterop loop en ga inhalen is er telkens een poedeltje dat alsmaar blijft omkijken totdat ik heb ingehaald. Daar maken we dan een grapje over. Ik denk dat zij ambtenaar is en ook in de villawijk hierachter woont.

 Fleece Girl is half twintig en haar voortbewegen is meer slenteren dan wandelen. Ze heeft werk gemaakt van haar outfit. Altijd een groot fleece pak bestaande uit een lange broek en een hoodie waarvan ze de capuchon ook altijd op heeft. Ik krijg het er warm van. Ik heb haar outfit inmiddels in drie verschillende felle kleuren gezien. Vanonder de enorm dikke capuchon, komt altijd een vriendelijk ‘bon dia’ wanneer we elkaar kruisen. Ik denk dat ze in een winkel werkt.

    Na vijfenvijftig minuten te hebben gewandeld, zit de vijf kilometer erop. Ik steek weer over naar de parkeerplaats waar mijn auto staat. Nu is dat lastiger omdat de ochtendspits in alle hevigheid gaande is. Ik loop langs de Batido-mevrouw en wens haar een fijne dag. Steevast antwoordt ze met ‘te mañan’. Bij de auto ontkoppel ik mijn telefoon en oordopjes en terwijl ik instap roep ik naar de visboer ‘te mañan’ waarop hij traditioneel reageert met ‘ku Dios ke’.

    Elke keer geniet ik van dit bijzondere stukje Curaçao met zijn wegen, begroeiing, vogels, verkeer en mensen. En weer thuis gekomen ga ik geconcentreerd en ontspannen verder met schrijven.

Trupiaal                              = geel/zwarte zangvogel
Chuchubi                            = grijze merelachtige zangvogel
Bon dia                               = goede morgen, goedendag
Tur kos ta bon?                   = is alles goed?
Pastechi                              = pasteitje
Westpointer                        = Curaçaos hondenras
Te mañan                            = tot morgen
Ku Dios ke                         = met Gods wil