zaterdag 4 april 2026

Mijn wandel biotoop

 

Een biotoop is een ruimtelijk begrensde leefomgeving waarin specifieke planten, diersoorten en mensen verblijven en actief zijn. Het is een fysieke plek met de karakteristieke factoren die een levensgemeenschap nodig heeft.

    Elke ochtend zijn ze er ongeveer net zo vroeg als ik. Zes uur in de ochtend; zo’n drie kwartier voor het licht wordt. De trupiaal en de chuchubi fluiten er al lustig op los wanneer ik mijn auto parkeer naast de Batidokraam op de nog lege parkeerplaats bij de Centrum Super Market, vijf minuten van ons huis vandaan. Misschien wat vreemd om eerst een stukje de auto te nemen om vervolgens vijf kilometer te gaan wandelen. Maar daar is een goede reden voor. De wegen hier op Curaçao hebben geen voetpaden en ook de bermen zijn meestal smal, ongelijk en begroeid met prikkende struiken. Wandelen is, zeker in het donker, niet aan te bevelen. Maar bij de supermarkt waar ik zojuist heb geparkeerd, loopt een vierbaans weg met aan weerzijde een vrij liggend fietspad en voetpad over een lengte van ruim twaalfhonderd meter. En dat stuk, met een beetje vals plat, loop ik sinds anderhalve maand elke ochtend twee keer heen-en-terug.

    Met de lampen van mijn auto zet ik de visboer in het licht. Vijf dagen in de week is hij daar om zes uur bezig om vissen, altijd red snappers, schoon te maken. Hij heeft zijn pick-up truck geparkeerd onder een grote boom en naast een provisorische tafel gemaakt van pallethout. Die tafel staat met een ketting vast aan de boom en blijft daar dag en nacht staan. Zijn weegschaal heeft hij aan een tak van de boom gehangen. Op de klep van zijn pick-up staan de koelboxen met verse vis. Zodra ik uitstap kijkt hij om en roept me vrolijk toe:  “Bon dia, bon dia, tur kos ta bon?”

   Wanneer ik mijn oortjes in mijn telefoon stop en de podcast open die ik aan het luisteren ben, rijdt een witte Kia cross-over achter mijn auto langs. De chauffeuse toetert kort en zwaait naar me. Het is de mevrouw van de Batidokraam. Wanneer ik over een uurtje klaar ben met wandelen, is het licht en is  ze open. Meestal heeft ze het dan druk. Ze maakt verse vruchtendranken en verkoopt pastechi’s en koffie. Op zaterdagochtenden drink ik een kopje koffie bij haar en neem voor mijn vriendin een lekkere batido mee.

    Ik start de podcast, loop langs de visboer en steek de weg over. Nu kan dat nog makkelijk en veilig, er is nog weinig verkeer. Aan de overkant van de weg is een bushalte. Elke ochtend zitten dezelfde drie mensen er op de bus te wachten en iets naast de bushalte staat elke ochtend dezelfde man. Ik groet ze allemaal beleefd met een ‘bon dia’ en op de maandagen met een ‘bon siman’. Meest typerende van de drie op de bank, is een kleine oudere meneer. Ik denk zo’n vijfenzeventig jaar. Hij heeft altijd een oud transistorradiootje in zijn hand en luistert daarmee naar een lokale zender.



    Iets voorbij de bushalte draai ik naar links het voet-fietspad op. In een rechte lijn loop ik naar de rotonde die ruim twaalfhonderd meter verderop ligt en weer terug. En dat doe ik dus twee keer. Het is een populaire plek om te wanden en hard te lopen. Nu ik dat zes weken lang, dagelijks doe, is er een aantal mensen die ik regelmatig tegenkom. Sommigen zijn er vaak en anderen soms. In mijn hoofd geef ik ze een naam en ik fantaseer waar ze vandaan komen en wat ze de rest van de dag zullen doen.

 Vrolijke Frans is iets kleiner dan ik ben, een jaar of vijfendertig, draagt een grote koptelefoon en lacht altijd. Wanneer we elkaar tegenkomen krijg ik altijd een dubbele ‘thumbs-up’ van hem. Ook wanneer we elkaar die dag drie of vier keer tegenkomen bij het op en neer lopen. Ik denk dat hij iets doet in de zorg.

 Jut en Jul is een echtpaar, althans dat denk ik. Allebei dun. Hij is bijna twee meter lang en zij vijftig centimeter korter. Beiden hebben een wat norse blik en ik heb ze nooit met elkaar zien praten. Ik denk dat zij een rondje lopen in plaats van hetzelfde stuk op en neer. Ik kom ze altijd maar een keer tegen. Ik denk dat ze al langere tijd in de villawijk hierachter wonen, niet meer werken en in een sleur zijn beland.

 Happy Arms is een lange slanke mooie man. Zijn uiterlijk en zijn kleding zijn zeer verzorgd; ik denk dat hij gay is. Tijdens het wandelen, zwaait hij met zijn onderarmen, die hij horizontaal houdt, heen en weer. Prima voor het verbranden van extra calorieën en het ziet er grappig uit. Bij elke keer dat we elkaar tegenkomen, groeten we elkaar met ‘bon dia’. De eerste keer luid en de keren erop wat zachter. Ook van hem denk ik dat hij iets in de zorg doet.

 Good Doctor is een hardloper. Lang met een atletisch uiterlijk en een horloge waarop hij zijn tijden bijhoudt. Hij loopt net als ik een aantal keren op en neer. Door het tempoverschil beperkt groeten zich tot een eerste keer een snel ‘bon dia’ en de volgende keren tot een knikje met het hoofd. Ik denk dat hij arts, al dan niet aan het specialiseren, is en in het Curaçao Medical Center werkt.

 Dog Lady is een kleine tengere dame van zo’n veertig jaar die een keer op en neer loopt. Ze heeft altijd vier honden aan de lijn bij zich: drie witte poedeltjes en een Westpointer. De poedeltjes elk aan een kleurrijke dunne lijn en de Westpointer aan een stoere dikke lijn. Ze loopt een stukje langzamer dan ik. Wanneer ik haar achterop loop en ga inhalen is er telkens een poedeltje dat alsmaar blijft omkijken totdat ik heb ingehaald. Daar maken we dan een grapje over. Ik denk dat zij ambtenaar is en ook in de villawijk hierachter woont.

 Fleece Girl is half twintig en haar voortbewegen is meer slenteren dan wandelen. Ze heeft werk gemaakt van haar outfit. Altijd een groot fleece pak bestaande uit een lange broek en een hoodie waarvan ze de capuchon ook altijd op heeft. Ik krijg het er warm van. Ik heb haar outfit inmiddels in drie verschillende felle kleuren gezien. Vanonder de enorm dikke capuchon, komt altijd een vriendelijk ‘bon dia’ wanneer we elkaar kruisen. Ik denk dat ze in een winkel werkt.

    Na vijfenvijftig minuten te hebben gewandeld, zit de vijf kilometer erop. Ik steek weer over naar de parkeerplaats waar mijn auto staat. Nu is dat lastiger omdat de ochtendspits in alle hevigheid gaande is. Ik loop langs de Batido-mevrouw en wens haar een fijne dag. Steevast antwoordt ze met ‘te mañan’. Bij de auto ontkoppel ik mijn telefoon en oordopjes en terwijl ik instap roep ik naar de visboer ‘te mañan’ waarop hij traditioneel reageert met ‘ku Dios ke’.

    Elke keer geniet ik van dit bijzondere stukje Curaçao met zijn wegen, begroeiing, vogels, verkeer en mensen. En weer thuis gekomen ga ik geconcentreerd en ontspannen verder met schrijven.

Trupiaal                              = geel/zwarte zangvogel
Chuchubi                            = grijze merelachtige zangvogel
Bon dia                               = goede morgen, goedendag
Tur kos ta bon?                   = is alles goed?
Pastechi                              = pasteitje
Westpointer                        = Curaçaos hondenras
Te mañan                            = tot morgen
Ku Dios ke                         = met Gods wil

 



zondag 18 januari 2026

Okee, de feestdagen liepen anders dan verwacht.

 


Volledig gedesoriënteerd kijk ik vier vreemde gezichten aan. Ik zie hun mond bewegen maar ik hoor niet wat ze zeggen. Alles is wit en ik lig op mijn rug. Mijn hersenen draaien op volle kracht. Waar ben ik, wat is dit, wie zijn dit? Dan dringt er iets van de woorden tot mij door. “....goed gegaan” en “....straks een stuk beter.” Langzaam dringt het tot mij door dat ik in het ziekenhuis ben. Dan herken ik een van de vier gezichten, dat van de anesthesist. Een lief gezicht en een geruststellende stem. Nu herken ik ook de twee gezichten van de verpleegsters van de afdeling Kortverblijf, waar ik vanmorgen naartoe ben verhuisd vanaf de Acute Opname Afdeling. Zij hebben mij, geen idee hoelang geleden, naar de Operatiekamer gebracht. Mijn hoofd wordt steeds helderder en alle herinneringen komen terug.

* * *

Het is woensdag, Kerstavond. Ik kijk een paar kerstfilms voor een deel; er is er niet eentje die me voldoende boeit om hem af te kijken. Rond tien uur ga ik naar bed, iets later dan ik hier op Curaçao gewend ben. Ik ben alleen. Mijn vriendin is sinds drie december in Nederland in verband met de geboorte van haar eerste kleinkind. ‘s Nachts rond half vier word ik wakker. Ik voel een stekende pijn in mijn onderbuik. Ik bedenk of ik iets vreemds heb gegeten maar kan niets bedenken. Ik sta op, neem twee paracetamol en ga weer in bed liggen. De pijnstiller doet zijn werk en ik doezel nog wat. Rond zes uur ben ik klaarwakker en ga uit bed, eerste Kerstdag vieren. De ochtend breng ik door in de keuken. Bij een toko hier in de buurt heb ik een paar dagen geleden eend in de diepvries gevonden en die heb ik eergisteren uit de vriezer gehaald en in de koelkast rustig laten ontdooien. Aan het eind van de ochtend staan de twee bouten in eendenvet (wat ik tijd geleden had bewaard) te konfijten. Eens kijken of dat net zo smaakt als vroeger in Frankrijk. Een van de borstfilets leg ik in met grof zout en suiker. Dat wordt als het lukt een lekkere magret séché. De andere bewaar ik om Tweede Kerstdag te bakken. Omdat ik moe ben van de korte en verstoorde nacht, ga ik ‘s middag een uurtje op bed liggen. Rond half vier ga ik naar het strand, Daaibooi, mijn favoriet. Het is elk jaar weer een bijzondere gewaarwording om Kerst in de tropen te beleven. Op het strand is het druk en er lopen mensen met een kerstmuts op.

De volgende ochtend, vrijdag, tweede kerstdag, is de pijn mijn buik erger. Ik loop wat rond, lig in de hangmat en zit aan de lange tafel die op de porch staat. Ik kan mijn draai niet vinden en begin me een beetje zorgen te maken. Om de vijf uur neem ik twee paracetamol om de pijn te dempen. De pijn zit in de onderbuik aan de rechter kant en straalt uit naar mijn rug. Het is weekeinde dus mijn huisarts is niet bereikbaar. Ik kijk in mijn telefoon of ik het nummer van de HAP, de huisartsenpost, heb opgeslagen. De HAP bestaat bijna twee jaar op Curaçao en is een enorme verbetering in de huisartsenzorg. Ik twijfel. Ben ik erg genoeg ziek om hen nu te bellen? Ik besluit de komende nacht af te wachten en ga vroeg naar bed. Ik slaap slecht en word steeds wakker. Om vijf uur in de ochtend sta ik op. Dat voelt iets beter en ik krijg hoop dat, wat het ook is, vanzelf weg zal gaan. IJdele hoop. Om half elf bel ik de HAP. Na veel vragen te hebben beantwoord aan een vriendelijke dame, zegt ze me even te wachten terwijl zij overlegt met een arts. Na twee minuten is ze weer aan de lijn. “Kunt u om half een hier zijn? Dan verwachten we u.” Gerust gesteld omdat een arts gaat kijken, pak ik voor de zekerheid een rugzak met de spullen voor het geval ze me meteen doorsturen naar het ziekenhuis. Uiteraard ben ik om iets over twaalf uur al bij de HAP, je weet nooit of er eerst nog administratieve dingen gedaan moeten worden.

Vijf voor half een komt een boomlange magere arts mij ophalen uit de wachtkamer. Hij vraagt naar mijn klachten. Zelf vraag ik of het wellicht een blindedarmontsteking zou kunnen zijn. Dat is ook waar hij nu aan denkt. Ik moet op de onderzoekstafel gaan liggen en hij onderzoek mij uitgebreid. Daarna moet ik springen en telkens is de vraag of het pijn doen. “Ja, maar niet heel erg.” Weer zittend aan zijn bureau zegt hij dat van de zeven symptomen voor blindedarmontsteking er eigenlijk maar twee aanwezig zijn. En dat daarmee de kans heel klein is dat het dat is. Ik kan weer naar huis gaan en moet goed in de gaten houden hoe het zich ontwikkelt. Als de pijn erger wordt, of als ik ga braken of koorts krijg, moet ik meteen terugkomen. Hij roept een assistente. Die geeft mij een injectie in mijn bil. Diclofenac en buscopan. Pijnstiller, koortsremmer, spierverslapper en tegen kramp in het maag- darmkanaal. Ook neemt de assistente een druppeltje bloed uit mijn wijsvinger. Ik moet even op de uitslag daarvan wachten. Een kwartiertje later is de dokter er weer. Het bloed vertoont geen echte ontsteking. Niet meer dan dat je ook bij een gewone griep zou zien. Hij herhaalt zijn waarschuwing om terug te komen wanneer het slechter gaat.

Zondag voel ik me weer redelijk het mannetje. De injectie doet kennelijk zijn werk. Eind van de middag ga ik naar een eindejaarsfeestje van een duikclub waar ik ben uitgenodigd, Niet dat ik duik maar ik ken daar verschillende mensen. Het is heel gezellig; spelletjes, een pub-quiz en lekker eten en drinken. Voor mijn doen laat, rond half tien, ga ik weer  naar huis.

Maandag negenentwintig december is een saaie dag. Het vuurwerk, dat vanaf afgelopen zaterdag mag worden verkocht, is inmiddels overal op het eiland te horen. Ik schrijf wat, kijk een film, doe een middagdutje, de afwas en ik kook. Licht verteerbaar want ik voel dat mijn buik toch nog niet helemaal goed voelt. Dinsdag gaat het slechter. De pijn in mijn buik weer terug, heftiger nu. Na een paar uurtjes twijfelen, besluit ik mijn huisarts te bellen. Hij is er die dag tot twee uur hoor ik. Ik pak de auto en rij er snel naartoe. Het ritueel herhaalt zich. Vragen beantwoorden, op de onderzoekstafel gaan liggen, springen. Hij komt tot een andere conclusie: nierstenen. Hij vraagt me om wat urine te geven zodat hij zijn diagnose kan bevestigen. Dan realiseer ik me dat ik de laatste dagen minder urineer dan normaal terwijl ik wel voldoende drink. Het lukt niet om op dat moment urine te geven. Ik krijg een recept. Weer voor diclofenac en buscopan. En ook voor een medicijn dat de urinewegen moet verwijden. Ik rij meteen door naar mijn apotheek

De volgende ochtend, oudejaarsdag, rij ik met een portje urine naar mijn huisarts. Dat bevestigt de diagnose: nierstenen. Hij maakt een afspraak voor een echo op maandag vijf januari. Eerder gaat niet in verband met Nieuwjaarsdag, een brugdag en het weekeinde. Als het erger wordt moet ik naar de SEH, de spoedeisende hulp, van het ziekenhuis gaan. Hij vertelt ook dat vrijdag 2 januari zijn praktijk in de ochtend wel open is. Van oud en nieuw krijg ik niet veel mee. Ondanks de pijnstillers heb ik veel last, eet amper en ben erg moe. Ik sleep me door Nieuwjaarsdag heen. Vrijdagochtend twee januari bel ik weer met mijn huisarts. Na overleg en heen en weer bellen, kan ik een verwijsbrief voor de dienstdoende uroloog ophalen en naar de SEH gaan. Daar kom ik rond half twaalf in de ochtend aan. Met mijn rugzak met spullen voor het geval dat. Het is er een drukte van belang. Rond half twee word ik uit de wachtkamer geroepen en verdwijn ik deels in het CT-scan apparaat. Daarna mag ik weer wachten. Rond drie uur wordt ik opgehaald door een art-assistent die mij meeneemt naar een onderzoekskamer. Weer hetzelfde ritueel. Vragen en op de onderzoekstafel. Er komt een verpleger binnen die bloed komt afnemen. Terwijl hij dat doet, vertelt de arts dat er inderdaad een niersteen is geconstateerd. Ze gaan zo dadelijk met het team bespreken wat er moet gebeuren. En ze gaan overdragen aan de late dienst. Daarna zullen ze mij vertellen wat ze gaan doen. Weer terug in de wachtkamer realiseer ik me dat de verpleger die bloed afnam dat niet heeft gedaan met een normale spuit. Hij heeft een infuus geplaatst in mijn linkerarm. Ik vermoed het eerste teken van een onmiddellijke opname. Er komt nog een verpleegkundige met een potje. Hij vraagt me daar wat urine in te produceren. Rond half vijf komt een andere arts-assistent mij halen. Ze bevestigt nogmaals de aanwezigheid van een niersteen en vertelt dat ik opgenomen word en de volgende word geopereerd. Ook vertelt ze dat de steen op een lastige plek zit, dicht bij de nier. “De operatie bestaat uit een omleiding van de buis tussen de nier en de blaas. Zo’n twee weken later halen ze steen er uit.” Ik vraag haar of dat onder volledige narcose is. Ze zegt dat het waarschijnlijk met een ruggenprik plaatselijk wordt verdoofd met eventueel nog een roesje voor het comfort. Ik vind inmiddels alles goed en verlang zelfs naar een ziekenhuisbed, verzorging en rust.

Het is zes uur en ik lig in een bed op de Acute Opname Afdeling. Ik realiseer me dat ik in mijn haast vanmorgen wel de nieuwe medicijnen heb meegenomen maar niet mijn bloeddruk medicatie. Ik bel een buurvrouw en die is zo lief om eerst mijn huissleutels op de halen in het ziekenhuis en later op de avond mijn medicijnen te brengen. Aanvankelijk lig ik nog niet rustig. Temperatuur meten, bloeddruk meten, medicijnen via het infuus. Ik laat het allemaal over mij heenkomen. De wifi van het ziekenhuis werkt geweldig en tussen alle verzorgende activiteiten door, kijk ik een leuke film. Ik lig en ben in goed handen. Ik heb zelfs wat boterhammen met beleg gekregen. Het eerste dat ik eet die dag. Vanaf middernacht moet ik nuchter blijven voor de operatie.

Ik slaap slecht en word om vijf uur wakker gemaakt en krijg een operatie jurk. Ik ga naar de badkamer, fris me op het trek de zwarte papieren jurk aan. Een uurtje later komt de ochtend dienst de zaal inlopen. Vier verpleegkundigen, uitgeslapen en klaar voor een dag hard werken. Een heerlijk geur van parfum verspreid zich door de zaal. Alle vier de patiënten op de zaal worden bekeken en besproken. Een van de verpleegsters trekt de gordijnen open. Geen uitzicht; de ramen zijn afgeplakt. Na de overdracht beginnen de rituelen opnieuw. Temperatuur meten, bloeddruk meten en medicatie via het infuus. Ik weiger de diclofenacpillen die ze me brengen. De paracetamol helpt mij voldoende om de pijn te bestrijden. Twee uur later word ik opgehaald. Ze verplaatsen me naar de afdeling Kortverblijf. Daar kijk ik uit het raam naar het oude ziekenhuis van Curaçao dat naast het relatief nieuwe CMC, Curaçao Medical Center, ligt. En wat verderop de daken van de hotels in de buurt van de cruise terminal. Mijn overbuurman heeft bezoek en zij volgen intensief het nieuws over de inval van Trump in Venezuela, zo’n zeventig kilometer hier vandaan. Trump heeft Maduro gekidnapt. Het boeit mij maar matig.

Rond half tien komt de uroloog mij opzoeken. Een Zuid-Amerikaanse dame van rond de veertig jaar. We spreken Engels. Ze legt mij nogmaals uit dat er een niersteen zit, vlakbij de nier. En dat ze de CT-scan nog een keer heeft bekeken. Ze heeft besloten om de steen toch nu te verwijderen en niet eerst een omleiding te leggen. “In about an hour they will come to get you for the procedure.” Anderhalf uur later komen twee verpleegsters de zaal oplopen. De rem van mijn bed wordt losgemaakt en ze rijden me de zaal af de gang in. Via een doolhof van gangen komen we in een tussenruimte. Een brede schuifdeur aan het voeteneind van mijn bed leidt naar de operatiekamers. Een van de verpleegsters drukt op een bel naast de schuifdeur. In de verste zie ik twee mensen aan komen lopen, gekleed in lichtgroene pakken en een lichtgroene muts op hun hoofd. Een van hen stelt zich aan mij voor als de anesthesist. “Omdat de niersteen op een vervelende plaats zit, gaan we u onder volledige narcose brengen.” De intonatie waarmee ze het zegt, suggereert een vraag of om een bevestiging van mij. Het kan mij op dat moment allemaal niets meer schelen en ik zeg dat ik het prima vind. “Zorg maar dat ik er niets van mee krijgt.” De twee groene gedaanten rijden mijn bed naar het eind van de gang en we slaan rechtsaf een operatiekamer in.

 In de operatiekamer schrik ik van de drukte daar. Zes of zeven mensen zijn er druk bezig dingen te doen die kennelijk nodig zijn voor mijn operatie. “Wat een drukte hier,” zeg ik. De anesthesist legt uit dat die allemaal een taak hebben. Ondertussen staat mijn bed naast een gruwelijk smalle tafel. Ik word geholpen om van mijn bed over te stappen naar die tafel. Zodra ik lig worden mijn armen aan weerszijde op een plank gelegd die aan de tafel is bevestigd. Het beeld van de uitvoering van de doodstraf door een injectie in de USA schiet door mijn hoofd. Twee mensen sluiten allerlei plakkers aan op mijn lichaam en ze sluiten iets aan op het infuus in mijn arm. Dan roept de uroloog “Time out people.” Iedereen is stil en komt rondom mij heen staan. Hoe ik heet, vraagt ze. Ze controleren mijn naam aan de hand van het bandje om mijn linker pols. Ze controleren het patiëntnummer. “Why are you here?” is de volgende vraag. Ik zeg begrepen te hebben dat ze een niersteen gaan weghalen. “On which side is this kidney stone?” Aanwijzen gaat niet met mijn armen vastgesnoerd. Ik wijs zo goed en zo kwaad als het gaat met mijn hoofd en zeg dat die aan de rechterkant zit. Vervolgens maakt de uroloog een rondje langs alle aanwezigen en vraagt hen wat zij gaan doen. Ik luister niet meer en probeer mijzelf alvast in een narcose te brengen. Dan gaat iedereen op zijn of haar plek staan en de anesthesist zegt dat ze mij een slaapmiddel toedient. Ik kijk niet maar voel dat er een vloeistof in mijn arm wordt gespoten. “Denk maar aan een mooie plek, dan ga je daar een tijdje naartoe.”

Volledig gedesoriënteerd kijk ik vier vreemde gezichten aan. Ik zie hun mond bewegen maar ik hoor niet wat ze zeggen. Alles is wit en ik lig op mijn rug. Mijn hersenen draaien op volle kracht. Waar ben ik, wat is dit, wie zijn dit? Dan dringt er iets van de woorden tot mij door. “....goed gegaan” en “....straks een stuk beter.” Langzaam dringt het tot mij door dat ik in het ziekenhuis ben. Dan herken ik een van de vier gezichten, dat van de anesthesist. Een lief gezicht en een geruststellende stem. Nu herken ik ook de twee gezichten van de verpleegsters van de afdeling Kortverblijf, waar ik vanmorgen naartoe ben verhuisd vanaf de Acute Opname Afdeling. Zij hebben mij, geen idee hoelang geleden, naar de Operatiekamer gebracht. Een van de verpleegsters doet mijn operatiejurk omhoog. Ik zie een dikke buis uit mijn penis komen. Op mijn penis zit een grote pleister waar iets op is geschreven. “Daar staat don’t touch,” zegt ze lachend. De jurk gaat weer op zijn plaats en in mijn bed (hoe ben ik daar weer in terechtgekomen?) word ik terug gereden naar de afdeling.

De hoop om even te kunnen rusten en bij te komen is ijdel. Zodra ik op mijn plaats ben gereden halen de verpleegsters heel voorzichtig de dikke katheter uit mijn penis. Ze doen het heel langzaam en het doet pijn. Er lijkt geen einde aan te komen. Uiteindelijk ligt er een bloederige buis van zo’n dertig centimeter en zeker een halve centimeter in doorsnede tussen mijn benen. Ik zie nu dat er twee zwarte draadjes uit mijn penis komen en dat die met die pleister op mij penis zijn vastgeplakt. De verpleegster legt uit dat er nog een katheter in mijn lijf zit; tussen de nier en de blaas. Die wordt er over vier dagen uitgehaald door aan die draadjes te trekken. Dat gebeurt poliklinisch. Zolang hoef ik niet in het ziekenhuis te blijven. Ik moet veel gaan drinken en zodra ik weer een aantal keren heb geplast mag ik naar huis. Ik krijg een plasfles voor de eerste keren. Ik ben nog net op tijd om te zeggen dat ik wel iets wil eten. Een verpleegster gaat iets voor mij regelen en drie kwartier later komt er iemand mij een bord warm eten brengen. Het is niets bijzonders en ook niet veel. Ik overweeg om mijn buurvrouw te vragen ergens iets lekkers te eten voor me te halen en dat te brengen. Ik besluit haar er niet mee lastig te vallen. Als het goed is ga ik over een aantal uren naar huis.

Om vijf uur krijg ik brood met beleg en dat gaat er vlot in. Ik heb de operatiejurk verwisseld voor mij eigen kleren. Bij het omkleden ontdek ik nog een dunne synthetische deken. Ik herinner me dat ik die over me heen kreeg vlak voor ik de operatiekamer werd ingereden. Nu snap ik waarom ik het zo warm had in bed. Nu ik toch sta, ga ik op zoek naar het toilet. Het is erg stil op de afdeling. Net als in elk ziekenhuis proberen ze het aantal patiënten in het weekeinde zo klein mogelijk te houden. Het plassen doet pijn en er komt nog steeds bloed mee. Een verpleegster zegt dat dat nog wel een dag kan aanhouden. Daarna moet de urine weer helder worden. Om zeven uur komt een verpleegster bloeddruk meten, temperatuur meten en pijnstillers brengen. Ik neem alleen de paracetamol. Ze haalt het infuus uit mijn arm. Hoewel mij dat niet in de weg zat, voelt het toch als een bevrijding. Losgekoppeld van alles wat met ziek zijn te maken heeft.

Om acht uur komt de definitieve mededeling dat ik naar huis mag gaan. Ik ruim mijn spullen op, stop alles in mijn rugzak en maak nog een praatje met de overbuurman. Hij wordt morgenochtend geopereerd. Ik moet me melden bij de zuster post op de afdeling. Daar krijg ik een ontslagbrief waarin ook een afspraak staat voor komende dinsdag. Dan haalt de uroloog de inwendige katheter er uit. Opeens realiseer ik me dat ik gisteren, denkend dat ik alleen voor een CT-scan kwam, mijn auto in de parkeergarage van het ziekenhuis heb gezet. De parkeerkosten zullen wel flink opgelopen zijn. Ik vertel het de verpleegster. “Geen probleem. Geef de parkeerkaart maar. Dan stempel ik hem af en de portier zal zorgen dat u gratis kunt uitrijden.” Ik ben blij dat zelfs dit goed is geregeld.

Op het laatste moment lijkt er nog een kink in de kabel te komen. Een wat oudere verpleegster vraagt wie mij komt ophalen. Mijn antwoord dat ik mijn auto hier heb staan en zelf naar huis rij, wordt met een afkeurend gezicht aangehoord. Ze zegt dat dat niet de bedoeling is. Ik leg haar in papiamentu uit dat ik momenteel alleen ben en niet zou weten hoe ik dat anders kan regelen op deze zaterdagavond. Ik verzeker haar er van dat ik me inmiddels goed voel en dat ik dichtbij woon. Gelaten met een kleine glimlach kijkt ze me aan en maakt een gebaar alsof ze niets heeft gehoord. Ik ga op zoek naar de uitgang. Mijn auto staat moederziel alleen op de begane grond van de parkeergarage, gereserveerd voor personeel, zo ontdek ik nu. De portier had zich al afgevraagd van wie die auto was en kende zelfs mijn kenteken uit zijn hoofd. Mijn parkeerkaart wordt door een machine gehaald en ik rij naar buiten nagezwaaid door de portier.

Inmiddels is die inwendige katheter door de uroloog verwijderd en functioneert alles weer naar behoren. Ook het lichte dizzy gevoel, waarschijnlijk van de narcose, was na een kleine week verdwenen. Over drie maanden moet ik nog een keer terugkomen bij de afdeling radiologie en een paar dagen daarna bij de uroloog. Voor de definitieve afsluiting, neem ik aan.

Conclusies: Feestdagen kunnen altijd gekker dan je verwacht en gezondheidszorg hier op Curaçao is prima op orde.