Volledig gedesoriënteerd kijk ik vier vreemde gezichten aan. Ik zie hun mond bewegen maar ik hoor niet wat ze zeggen. Alles is wit en ik lig op mijn rug. Mijn hersenen draaien op volle kracht. Waar ben ik, wat is dit, wie zijn dit? Dan dringt er iets van de woorden tot mij door. “....goed gegaan” en “....straks een stuk beter.” Langzaam dringt het tot mij door dat ik in het ziekenhuis ben. Dan herken ik een van de vier gezichten, dat van de anesthesist. Een lief gezicht en een geruststellende stem. Nu herken ik ook de twee gezichten van de verpleegsters van de afdeling Kortverblijf, waar ik vanmorgen naartoe ben verhuisd vanaf de Acute Opname Afdeling. Zij hebben mij, geen idee hoelang geleden, naar de Operatiekamer gebracht. Mijn hoofd wordt steeds helderder en alle herinneringen komen terug.
* * *
Het is woensdag, Kerstavond. Ik kijk een paar kerstfilms voor
een deel; er is er niet eentje die me voldoende boeit om hem af te kijken. Rond
tien uur ga ik naar bed, iets later dan ik hier op Curaçao gewend ben. Ik ben
alleen. Mijn vriendin is sinds drie december in Nederland in verband met de
geboorte van haar eerste kleinkind. ‘s Nachts rond half vier word ik wakker. Ik
voel een stekende pijn in mijn onderbuik. Ik bedenk of ik iets vreemds heb
gegeten maar kan niets bedenken. Ik sta op, neem twee paracetamol en ga weer in
bed liggen. De pijnstiller doet zijn werk en ik doezel nog wat. Rond zes uur
ben ik klaarwakker en ga uit bed, eerste Kerstdag vieren. De ochtend breng ik
door in de keuken. Bij een toko hier in de buurt heb ik een paar dagen geleden
eend in de diepvries gevonden en die heb ik eergisteren uit de vriezer gehaald
en in de koelkast rustig laten ontdooien. Aan het eind van de ochtend staan de
twee bouten in eendenvet (wat ik tijd geleden had bewaard) te konfijten. Eens
kijken of dat net zo smaakt als vroeger in Frankrijk. Een van de borstfilets
leg ik in met grof zout en suiker. Dat wordt als het lukt een lekkere magret
séché. De andere bewaar ik om Tweede Kerstdag te bakken. Omdat ik moe ben van
de korte en verstoorde nacht, ga ik ‘s middag een uurtje op bed liggen. Rond
half vier ga ik naar het strand, Daaibooi, mijn favoriet. Het is elk jaar weer
een bijzondere gewaarwording om Kerst in de tropen te beleven. Op het strand is
het druk en er lopen mensen met een kerstmuts op.
De volgende ochtend, vrijdag, tweede kerstdag, is de pijn
mijn buik erger. Ik loop wat rond, lig in de hangmat en zit aan de lange tafel
die op de porch staat. Ik kan mijn draai niet vinden en begin me een beetje
zorgen te maken. Om de vijf uur neem ik twee paracetamol om de pijn te dempen.
De pijn zit in de onderbuik aan de rechter kant en straalt uit naar mijn rug. Het
is weekeinde dus mijn huisarts is niet bereikbaar. Ik kijk in mijn telefoon of
ik het nummer van de HAP, de huisartsenpost, heb opgeslagen. De HAP bestaat bijna
twee jaar op Curaçao en is een enorme verbetering in de huisartsenzorg. Ik
twijfel. Ben ik erg genoeg ziek om hen nu te bellen? Ik besluit de komende
nacht af te wachten en ga vroeg naar bed. Ik slaap slecht en word steeds
wakker. Om vijf uur in de ochtend sta ik op. Dat voelt iets beter en ik krijg
hoop dat, wat het ook is, vanzelf weg zal gaan. IJdele hoop. Om half elf bel ik
de HAP. Na veel vragen te hebben beantwoord aan een vriendelijke dame, zegt ze
me even te wachten terwijl zij overlegt met een arts. Na twee minuten is ze
weer aan de lijn. “Kunt u om half een hier zijn? Dan verwachten we u.” Gerust
gesteld omdat een arts gaat kijken, pak ik voor de zekerheid een rugzak met de
spullen voor het geval ze me meteen doorsturen naar het ziekenhuis. Uiteraard
ben ik om iets over twaalf uur al bij de HAP, je weet nooit of er eerst nog
administratieve dingen gedaan moeten worden.
Vijf voor half een komt een boomlange magere arts mij
ophalen uit de wachtkamer. Hij vraagt naar mijn klachten. Zelf vraag ik of het
wellicht een blindedarmontsteking zou kunnen zijn. Dat is ook waar hij nu aan
denkt. Ik moet op de onderzoekstafel gaan liggen en hij onderzoek mij
uitgebreid. Daarna moet ik springen en telkens is de vraag of het pijn doen.
“Ja, maar niet heel erg.” Weer zittend aan zijn bureau zegt hij dat van de
zeven symptomen voor blindedarmontsteking er eigenlijk maar twee aanwezig zijn.
En dat daarmee de kans heel klein is dat het dat is. Ik kan weer naar huis gaan
en moet goed in de gaten houden hoe het zich ontwikkelt. Als de pijn erger
wordt, of als ik ga braken of koorts krijg, moet ik meteen terugkomen. Hij
roept een assistente. Die geeft mij een injectie in mijn bil. Diclofenac en
buscopan. Pijnstiller, koortsremmer, spierverslapper en tegen kramp in het
maag- darmkanaal. Ook neemt de assistente een druppeltje bloed uit mijn wijsvinger.
Ik moet even op de uitslag daarvan wachten. Een kwartiertje later is de dokter
er weer. Het bloed vertoont geen echte ontsteking. Niet meer dan dat je ook bij
een gewone griep zou zien. Hij herhaalt zijn waarschuwing om terug te komen
wanneer het slechter gaat.
Zondag voel ik me weer redelijk het mannetje. De injectie
doet kennelijk zijn werk. Eind van de middag ga ik naar een eindejaarsfeestje
van een duikclub waar ik ben uitgenodigd, Niet dat ik duik maar ik ken daar
verschillende mensen. Het is heel gezellig; spelletjes, een pub-quiz en lekker
eten en drinken. Voor mijn doen laat, rond half tien, ga ik weer naar huis.
Maandag negenentwintig december is een saaie dag. Het
vuurwerk, dat vanaf afgelopen zaterdag mag worden verkocht, is inmiddels overal
op het eiland te horen. Ik schrijf wat, kijk een film, doe een middagdutje, de
afwas en ik kook. Licht verteerbaar want ik voel dat mijn buik toch nog niet
helemaal goed voelt. Dinsdag gaat het slechter. De pijn in mijn buik weer terug,
heftiger nu. Na een paar uurtjes twijfelen, besluit ik mijn huisarts te bellen.
Hij is er die dag tot twee uur hoor ik. Ik pak de auto en rij er snel naartoe.
Het ritueel herhaalt zich. Vragen beantwoorden, op de onderzoekstafel gaan
liggen, springen. Hij komt tot een andere conclusie: nierstenen. Hij vraagt me
om wat urine te geven zodat hij zijn diagnose kan bevestigen. Dan realiseer ik
me dat ik de laatste dagen minder urineer dan normaal terwijl ik wel voldoende
drink. Het lukt niet om op dat moment urine te geven. Ik krijg een recept. Weer
voor diclofenac en buscopan. En ook voor een medicijn dat de urinewegen moet
verwijden. Ik rij meteen door naar mijn apotheek
De volgende ochtend, oudejaarsdag, rij ik met een portje
urine naar mijn huisarts. Dat bevestigt de diagnose: nierstenen. Hij maakt een
afspraak voor een echo op maandag vijf januari. Eerder gaat niet in verband met
Nieuwjaarsdag, een brugdag en het weekeinde. Als het erger wordt moet ik naar
de SEH, de spoedeisende hulp, van het ziekenhuis gaan. Hij vertelt ook dat
vrijdag 2 januari zijn praktijk in de ochtend wel open is. Van oud en nieuw
krijg ik niet veel mee. Ondanks de pijnstillers heb ik veel last, eet amper en
ben erg moe. Ik sleep me door Nieuwjaarsdag heen. Vrijdagochtend twee januari
bel ik weer met mijn huisarts. Na overleg en heen en weer bellen, kan ik een
verwijsbrief voor de dienstdoende uroloog ophalen en naar de SEH gaan. Daar kom
ik rond half twaalf in de ochtend aan. Met mijn rugzak met spullen voor het
geval dat. Het is er een drukte van belang. Rond half twee word ik uit de
wachtkamer geroepen en verdwijn ik deels in het CT-scan apparaat. Daarna mag ik
weer wachten. Rond drie uur wordt ik opgehaald door een art-assistent die mij
meeneemt naar een onderzoekskamer. Weer hetzelfde ritueel. Vragen en op de
onderzoekstafel. Er komt een verpleger binnen die bloed komt afnemen. Terwijl
hij dat doet, vertelt de arts dat er inderdaad een niersteen is geconstateerd.
Ze gaan zo dadelijk met het team bespreken wat er moet gebeuren. En ze gaan
overdragen aan de late dienst. Daarna zullen ze mij vertellen wat ze gaan doen.
Weer terug in de wachtkamer realiseer ik me dat de verpleger die bloed afnam
dat niet heeft gedaan met een normale spuit. Hij heeft een infuus geplaatst in
mijn linkerarm. Ik vermoed het eerste teken van een onmiddellijke opname. Er
komt nog een verpleegkundige met een potje. Hij vraagt me daar wat urine in te
produceren. Rond half vijf komt een andere arts-assistent mij halen. Ze
bevestigt nogmaals de aanwezigheid van een niersteen en vertelt dat ik
opgenomen word en de volgende word geopereerd. Ook vertelt ze dat de steen op
een lastige plek zit, dicht bij de nier. “De operatie bestaat uit een omleiding
van de buis tussen de nier en de blaas. Zo’n twee weken later halen ze steen er
uit.” Ik vraag haar of dat onder volledige narcose is. Ze zegt dat het
waarschijnlijk met een ruggenprik plaatselijk wordt verdoofd met eventueel nog
een roesje voor het comfort. Ik vind inmiddels alles goed en verlang zelfs naar
een ziekenhuisbed, verzorging en rust.
Het is zes uur en ik lig in een bed op de Acute Opname
Afdeling. Ik realiseer me dat ik in mijn haast vanmorgen wel de nieuwe
medicijnen heb meegenomen maar niet mijn bloeddruk medicatie. Ik bel een
buurvrouw en die is zo lief om eerst mijn huissleutels op de halen in het
ziekenhuis en later op de avond mijn medicijnen te brengen. Aanvankelijk lig ik
nog niet rustig. Temperatuur meten, bloeddruk meten, medicijnen via het infuus.
Ik laat het allemaal over mij heenkomen. De wifi van het ziekenhuis werkt geweldig
en tussen alle verzorgende activiteiten door, kijk ik een leuke film. Ik lig en
ben in goed handen. Ik heb zelfs wat boterhammen met beleg gekregen. Het eerste
dat ik eet die dag. Vanaf middernacht moet ik nuchter blijven voor de operatie.
Ik slaap slecht en word om vijf uur wakker gemaakt en krijg
een operatie jurk. Ik ga naar de badkamer, fris me op het trek de zwarte
papieren jurk aan. Een uurtje later komt de ochtend dienst de zaal inlopen.
Vier verpleegkundigen, uitgeslapen en klaar voor een dag hard werken. Een
heerlijk geur van parfum verspreid zich door de zaal. Alle vier de patiënten op
de zaal worden bekeken en besproken. Een van de verpleegsters trekt de
gordijnen open. Geen uitzicht; de ramen zijn afgeplakt. Na de overdracht beginnen
de rituelen opnieuw. Temperatuur meten, bloeddruk meten en medicatie via het
infuus. Ik weiger de diclofenacpillen die ze me brengen. De paracetamol helpt
mij voldoende om de pijn te bestrijden. Twee uur later word ik opgehaald. Ze
verplaatsen me naar de afdeling Kortverblijf. Daar kijk ik uit het raam naar
het oude ziekenhuis van Curaçao dat naast het relatief nieuwe CMC, Curaçao
Medical Center, ligt. En wat verderop de daken van de hotels in de buurt van de
cruise terminal. Mijn overbuurman heeft bezoek en zij volgen intensief het
nieuws over de inval van Trump in Venezuela, zo’n zeventig kilometer hier
vandaan. Trump heeft Maduro gekidnapt. Het boeit mij maar matig.
Rond half tien komt de uroloog mij opzoeken. Een
Zuid-Amerikaanse dame van rond de veertig jaar. We spreken Engels. Ze legt mij
nogmaals uit dat er een niersteen zit, vlakbij de nier. En dat ze de CT-scan
nog een keer heeft bekeken. Ze heeft besloten om de steen toch nu te
verwijderen en niet eerst een omleiding te leggen. “In about an hour they will
come to get you for the procedure.” Anderhalf uur later komen twee
verpleegsters de zaal oplopen. De rem van mijn bed wordt losgemaakt en ze
rijden me de zaal af de gang in. Via een doolhof van gangen komen we in een
tussenruimte. Een brede schuifdeur aan het voeteneind van mijn bed leidt naar
de operatiekamers. Een van de verpleegsters drukt op een bel naast de
schuifdeur. In de verste zie ik twee mensen aan komen lopen, gekleed in
lichtgroene pakken en een lichtgroene muts op hun hoofd. Een van hen stelt zich
aan mij voor als de anesthesist. “Omdat de niersteen op een vervelende plaats
zit, gaan we u onder volledige narcose brengen.” De intonatie waarmee ze het
zegt, suggereert een vraag of om een bevestiging van mij. Het kan mij op dat
moment allemaal niets meer schelen en ik zeg dat ik het prima vind. “Zorg maar
dat ik er niets van mee krijgt.” De twee groene gedaanten rijden mijn bed naar
het eind van de gang en we slaan rechtsaf een operatiekamer in.
Volledig gedesoriënteerd kijk ik vier vreemde gezichten aan.
Ik zie hun mond bewegen maar ik hoor niet wat ze zeggen. Alles is wit en ik lig
op mijn rug. Mijn hersenen draaien op volle kracht. Waar ben ik, wat is dit,
wie zijn dit? Dan dringt er iets van de woorden tot mij door. “....goed gegaan”
en “....straks een stuk beter.” Langzaam dringt het tot mij door dat ik in het
ziekenhuis ben. Dan herken ik een van de vier gezichten, dat van de
anesthesist. Een lief gezicht en een geruststellende stem. Nu herken ik ook de
twee gezichten van de verpleegsters van de afdeling Kortverblijf, waar ik
vanmorgen naartoe ben verhuisd vanaf de Acute Opname Afdeling. Zij hebben mij,
geen idee hoelang geleden, naar de Operatiekamer gebracht. Een van de
verpleegsters doet mijn operatiejurk omhoog. Ik zie een dikke buis uit mijn
penis komen. Op mijn penis zit een grote pleister waar iets op is geschreven.
“Daar staat don’t touch,” zegt ze lachend. De jurk gaat weer op zijn plaats en
in mijn bed (hoe ben ik daar weer in terechtgekomen?) word ik terug gereden
naar de afdeling.
De hoop om even te kunnen rusten en bij te komen is ijdel.
Zodra ik op mijn plaats ben gereden halen de verpleegsters heel voorzichtig de
dikke katheter uit mijn penis. Ze doen het heel langzaam en het doet pijn. Er
lijkt geen einde aan te komen. Uiteindelijk ligt er een bloederige buis van
zo’n dertig centimeter en zeker een halve centimeter in doorsnede tussen mijn
benen. Ik zie nu dat er twee zwarte draadjes uit mijn penis komen en dat die
met die pleister op mij penis zijn vastgeplakt. De verpleegster legt uit dat er
nog een katheter in mijn lijf zit; tussen de nier en de blaas. Die wordt er
over vier dagen uitgehaald door aan die draadjes te trekken. Dat gebeurt
poliklinisch. Zolang hoef ik niet in het ziekenhuis te blijven. Ik moet veel
gaan drinken en zodra ik weer een aantal keren heb geplast mag ik naar huis. Ik
krijg een plasfles voor de eerste keren. Ik ben nog net op tijd om te zeggen
dat ik wel iets wil eten. Een verpleegster gaat iets voor mij regelen en drie
kwartier later komt er iemand mij een bord warm eten brengen. Het is niets
bijzonders en ook niet veel. Ik overweeg om mijn buurvrouw te vragen ergens
iets lekkers te eten voor me te halen en dat te brengen. Ik besluit haar er
niet mee lastig te vallen. Als het goed is ga ik over een aantal uren naar
huis.
Om vijf uur krijg ik brood met beleg en dat gaat er vlot in.
Ik heb de operatiejurk verwisseld voor mij eigen kleren. Bij het omkleden
ontdek ik nog een dunne synthetische deken. Ik herinner me dat ik die over me
heen kreeg vlak voor ik de operatiekamer werd ingereden. Nu snap ik waarom ik
het zo warm had in bed. Nu ik toch sta, ga ik op zoek naar het toilet. Het is
erg stil op de afdeling. Net als in elk ziekenhuis proberen ze het aantal
patiënten in het weekeinde zo klein mogelijk te houden. Het plassen doet pijn
en er komt nog steeds bloed mee. Een verpleegster zegt dat dat nog wel een dag
kan aanhouden. Daarna moet de urine weer helder worden. Om zeven uur komt een
verpleegster bloeddruk meten, temperatuur meten en pijnstillers brengen. Ik
neem alleen de paracetamol. Ze haalt het infuus uit mijn arm. Hoewel mij dat
niet in de weg zat, voelt het toch als een bevrijding. Losgekoppeld van alles
wat met ziek zijn te maken heeft.
Om acht uur komt de definitieve mededeling dat ik naar huis
mag gaan. Ik ruim mijn spullen op, stop alles in mijn rugzak en maak nog een
praatje met de overbuurman. Hij wordt morgenochtend geopereerd. Ik moet me
melden bij de zuster post op de afdeling. Daar krijg ik een ontslagbrief waarin
ook een afspraak staat voor komende dinsdag. Dan haalt de uroloog de inwendige
katheter er uit. Opeens realiseer ik me dat ik gisteren, denkend dat ik alleen
voor een CT-scan kwam, mijn auto in de parkeergarage van het ziekenhuis heb
gezet. De parkeerkosten zullen wel flink opgelopen zijn. Ik vertel het de
verpleegster. “Geen probleem. Geef de parkeerkaart maar. Dan stempel ik hem af
en de portier zal zorgen dat u gratis kunt uitrijden.” Ik ben blij dat zelfs
dit goed is geregeld.
Op het laatste moment lijkt er nog een kink in de kabel te
komen. Een wat oudere verpleegster vraagt wie mij komt ophalen. Mijn antwoord
dat ik mijn auto hier heb staan en zelf naar huis rij, wordt met een afkeurend
gezicht aangehoord. Ze zegt dat dat niet de bedoeling is. Ik leg haar in
papiamentu uit dat ik momenteel alleen ben en niet zou weten hoe ik dat anders
kan regelen op deze zaterdagavond. Ik verzeker haar er van dat ik me inmiddels
goed voel en dat ik dichtbij woon. Gelaten met een kleine glimlach kijkt ze me
aan en maakt een gebaar alsof ze niets heeft gehoord. Ik ga op zoek naar de
uitgang. Mijn auto staat moederziel alleen op de begane grond van de
parkeergarage, gereserveerd voor personeel, zo ontdek ik nu. De portier had
zich al afgevraagd van wie die auto was en kende zelfs mijn kenteken uit zijn
hoofd. Mijn parkeerkaart wordt door een machine gehaald en ik rij naar buiten
nagezwaaid door de portier.
Inmiddels is die inwendige katheter door de uroloog
verwijderd en functioneert alles weer naar behoren. Ook het lichte dizzy
gevoel, waarschijnlijk van de narcose, was na een kleine week verdwenen. Over drie
maanden moet ik nog een keer terugkomen bij de afdeling radiologie en een paar
dagen daarna bij de uroloog. Voor de definitieve afsluiting, neem ik aan.
Conclusies: Feestdagen kunnen altijd gekker dan je verwacht
en gezondheidszorg hier op Curaçao is prima op orde.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten