zondag 18 januari 2026

Okee, de feestdagen liepen anders dan verwacht.

 


Volledig gedesoriënteerd kijk ik vier vreemde gezichten aan. Ik zie hun mond bewegen maar ik hoor niet wat ze zeggen. Alles is wit en ik lig op mijn rug. Mijn hersenen draaien op volle kracht. Waar ben ik, wat is dit, wie zijn dit? Dan dringt er iets van de woorden tot mij door. “....goed gegaan” en “....straks een stuk beter.” Langzaam dringt het tot mij door dat ik in het ziekenhuis ben. Dan herken ik een van de vier gezichten, dat van de anesthesist. Een lief gezicht en een geruststellende stem. Nu herken ik ook de twee gezichten van de verpleegsters van de afdeling Kortverblijf, waar ik vanmorgen naartoe ben verhuisd vanaf de Acute Opname Afdeling. Zij hebben mij, geen idee hoelang geleden, naar de Operatiekamer gebracht. Mijn hoofd wordt steeds helderder en alle herinneringen komen terug.

* * *

Het is woensdag, Kerstavond. Ik kijk een paar kerstfilms voor een deel; er is er niet eentje die me voldoende boeit om hem af te kijken. Rond tien uur ga ik naar bed, iets later dan ik hier op Curaçao gewend ben. Ik ben alleen. Mijn vriendin is sinds drie december in Nederland in verband met de geboorte van haar eerste kleinkind. ‘s Nachts rond half vier word ik wakker. Ik voel een stekende pijn in mijn onderbuik. Ik bedenk of ik iets vreemds heb gegeten maar kan niets bedenken. Ik sta op, neem twee paracetamol en ga weer in bed liggen. De pijnstiller doet zijn werk en ik doezel nog wat. Rond zes uur ben ik klaarwakker en ga uit bed, eerste Kerstdag vieren. De ochtend breng ik door in de keuken. Bij een toko hier in de buurt heb ik een paar dagen geleden eend in de diepvries gevonden en die heb ik eergisteren uit de vriezer gehaald en in de koelkast rustig laten ontdooien. Aan het eind van de ochtend staan de twee bouten in eendenvet (wat ik tijd geleden had bewaard) te konfijten. Eens kijken of dat net zo smaakt als vroeger in Frankrijk. Een van de borstfilets leg ik in met grof zout en suiker. Dat wordt als het lukt een lekkere magret séché. De andere bewaar ik om Tweede Kerstdag te bakken. Omdat ik moe ben van de korte en verstoorde nacht, ga ik ‘s middag een uurtje op bed liggen. Rond half vier ga ik naar het strand, Daaibooi, mijn favoriet. Het is elk jaar weer een bijzondere gewaarwording om Kerst in de tropen te beleven. Op het strand is het druk en er lopen mensen met een kerstmuts op.

De volgende ochtend, vrijdag, tweede kerstdag, is de pijn mijn buik erger. Ik loop wat rond, lig in de hangmat en zit aan de lange tafel die op de porch staat. Ik kan mijn draai niet vinden en begin me een beetje zorgen te maken. Om de vijf uur neem ik twee paracetamol om de pijn te dempen. De pijn zit in de onderbuik aan de rechter kant en straalt uit naar mijn rug. Het is weekeinde dus mijn huisarts is niet bereikbaar. Ik kijk in mijn telefoon of ik het nummer van de HAP, de huisartsenpost, heb opgeslagen. De HAP bestaat bijna twee jaar op Curaçao en is een enorme verbetering in de huisartsenzorg. Ik twijfel. Ben ik erg genoeg ziek om hen nu te bellen? Ik besluit de komende nacht af te wachten en ga vroeg naar bed. Ik slaap slecht en word steeds wakker. Om vijf uur in de ochtend sta ik op. Dat voelt iets beter en ik krijg hoop dat, wat het ook is, vanzelf weg zal gaan. IJdele hoop. Om half elf bel ik de HAP. Na veel vragen te hebben beantwoord aan een vriendelijke dame, zegt ze me even te wachten terwijl zij overlegt met een arts. Na twee minuten is ze weer aan de lijn. “Kunt u om half een hier zijn? Dan verwachten we u.” Gerust gesteld omdat een arts gaat kijken, pak ik voor de zekerheid een rugzak met de spullen voor het geval ze me meteen doorsturen naar het ziekenhuis. Uiteraard ben ik om iets over twaalf uur al bij de HAP, je weet nooit of er eerst nog administratieve dingen gedaan moeten worden.

Vijf voor half een komt een boomlange magere arts mij ophalen uit de wachtkamer. Hij vraagt naar mijn klachten. Zelf vraag ik of het wellicht een blindedarmontsteking zou kunnen zijn. Dat is ook waar hij nu aan denkt. Ik moet op de onderzoekstafel gaan liggen en hij onderzoek mij uitgebreid. Daarna moet ik springen en telkens is de vraag of het pijn doen. “Ja, maar niet heel erg.” Weer zittend aan zijn bureau zegt hij dat van de zeven symptomen voor blindedarmontsteking er eigenlijk maar twee aanwezig zijn. En dat daarmee de kans heel klein is dat het dat is. Ik kan weer naar huis gaan en moet goed in de gaten houden hoe het zich ontwikkelt. Als de pijn erger wordt, of als ik ga braken of koorts krijg, moet ik meteen terugkomen. Hij roept een assistente. Die geeft mij een injectie in mijn bil. Diclofenac en buscopan. Pijnstiller, koortsremmer, spierverslapper en tegen kramp in het maag- darmkanaal. Ook neemt de assistente een druppeltje bloed uit mijn wijsvinger. Ik moet even op de uitslag daarvan wachten. Een kwartiertje later is de dokter er weer. Het bloed vertoont geen echte ontsteking. Niet meer dan dat je ook bij een gewone griep zou zien. Hij herhaalt zijn waarschuwing om terug te komen wanneer het slechter gaat.

Zondag voel ik me weer redelijk het mannetje. De injectie doet kennelijk zijn werk. Eind van de middag ga ik naar een eindejaarsfeestje van een duikclub waar ik ben uitgenodigd, Niet dat ik duik maar ik ken daar verschillende mensen. Het is heel gezellig; spelletjes, een pub-quiz en lekker eten en drinken. Voor mijn doen laat, rond half tien, ga ik weer  naar huis.

Maandag negenentwintig december is een saaie dag. Het vuurwerk, dat vanaf afgelopen zaterdag mag worden verkocht, is inmiddels overal op het eiland te horen. Ik schrijf wat, kijk een film, doe een middagdutje, de afwas en ik kook. Licht verteerbaar want ik voel dat mijn buik toch nog niet helemaal goed voelt. Dinsdag gaat het slechter. De pijn in mijn buik weer terug, heftiger nu. Na een paar uurtjes twijfelen, besluit ik mijn huisarts te bellen. Hij is er die dag tot twee uur hoor ik. Ik pak de auto en rij er snel naartoe. Het ritueel herhaalt zich. Vragen beantwoorden, op de onderzoekstafel gaan liggen, springen. Hij komt tot een andere conclusie: nierstenen. Hij vraagt me om wat urine te geven zodat hij zijn diagnose kan bevestigen. Dan realiseer ik me dat ik de laatste dagen minder urineer dan normaal terwijl ik wel voldoende drink. Het lukt niet om op dat moment urine te geven. Ik krijg een recept. Weer voor diclofenac en buscopan. En ook voor een medicijn dat de urinewegen moet verwijden. Ik rij meteen door naar mijn apotheek

De volgende ochtend, oudejaarsdag, rij ik met een portje urine naar mijn huisarts. Dat bevestigt de diagnose: nierstenen. Hij maakt een afspraak voor een echo op maandag vijf januari. Eerder gaat niet in verband met Nieuwjaarsdag, een brugdag en het weekeinde. Als het erger wordt moet ik naar de SEH, de spoedeisende hulp, van het ziekenhuis gaan. Hij vertelt ook dat vrijdag 2 januari zijn praktijk in de ochtend wel open is. Van oud en nieuw krijg ik niet veel mee. Ondanks de pijnstillers heb ik veel last, eet amper en ben erg moe. Ik sleep me door Nieuwjaarsdag heen. Vrijdagochtend twee januari bel ik weer met mijn huisarts. Na overleg en heen en weer bellen, kan ik een verwijsbrief voor de dienstdoende uroloog ophalen en naar de SEH gaan. Daar kom ik rond half twaalf in de ochtend aan. Met mijn rugzak met spullen voor het geval dat. Het is er een drukte van belang. Rond half twee word ik uit de wachtkamer geroepen en verdwijn ik deels in het CT-scan apparaat. Daarna mag ik weer wachten. Rond drie uur wordt ik opgehaald door een art-assistent die mij meeneemt naar een onderzoekskamer. Weer hetzelfde ritueel. Vragen en op de onderzoekstafel. Er komt een verpleger binnen die bloed komt afnemen. Terwijl hij dat doet, vertelt de arts dat er inderdaad een niersteen is geconstateerd. Ze gaan zo dadelijk met het team bespreken wat er moet gebeuren. En ze gaan overdragen aan de late dienst. Daarna zullen ze mij vertellen wat ze gaan doen. Weer terug in de wachtkamer realiseer ik me dat de verpleger die bloed afnam dat niet heeft gedaan met een normale spuit. Hij heeft een infuus geplaatst in mijn linkerarm. Ik vermoed het eerste teken van een onmiddellijke opname. Er komt nog een verpleegkundige met een potje. Hij vraagt me daar wat urine in te produceren. Rond half vijf komt een andere arts-assistent mij halen. Ze bevestigt nogmaals de aanwezigheid van een niersteen en vertelt dat ik opgenomen word en de volgende word geopereerd. Ook vertelt ze dat de steen op een lastige plek zit, dicht bij de nier. “De operatie bestaat uit een omleiding van de buis tussen de nier en de blaas. Zo’n twee weken later halen ze steen er uit.” Ik vraag haar of dat onder volledige narcose is. Ze zegt dat het waarschijnlijk met een ruggenprik plaatselijk wordt verdoofd met eventueel nog een roesje voor het comfort. Ik vind inmiddels alles goed en verlang zelfs naar een ziekenhuisbed, verzorging en rust.

Het is zes uur en ik lig in een bed op de Acute Opname Afdeling. Ik realiseer me dat ik in mijn haast vanmorgen wel de nieuwe medicijnen heb meegenomen maar niet mijn bloeddruk medicatie. Ik bel een buurvrouw en die is zo lief om eerst mijn huissleutels op de halen in het ziekenhuis en later op de avond mijn medicijnen te brengen. Aanvankelijk lig ik nog niet rustig. Temperatuur meten, bloeddruk meten, medicijnen via het infuus. Ik laat het allemaal over mij heenkomen. De wifi van het ziekenhuis werkt geweldig en tussen alle verzorgende activiteiten door, kijk ik een leuke film. Ik lig en ben in goed handen. Ik heb zelfs wat boterhammen met beleg gekregen. Het eerste dat ik eet die dag. Vanaf middernacht moet ik nuchter blijven voor de operatie.

Ik slaap slecht en word om vijf uur wakker gemaakt en krijg een operatie jurk. Ik ga naar de badkamer, fris me op het trek de zwarte papieren jurk aan. Een uurtje later komt de ochtend dienst de zaal inlopen. Vier verpleegkundigen, uitgeslapen en klaar voor een dag hard werken. Een heerlijk geur van parfum verspreid zich door de zaal. Alle vier de patiënten op de zaal worden bekeken en besproken. Een van de verpleegsters trekt de gordijnen open. Geen uitzicht; de ramen zijn afgeplakt. Na de overdracht beginnen de rituelen opnieuw. Temperatuur meten, bloeddruk meten en medicatie via het infuus. Ik weiger de diclofenacpillen die ze me brengen. De paracetamol helpt mij voldoende om de pijn te bestrijden. Twee uur later word ik opgehaald. Ze verplaatsen me naar de afdeling Kortverblijf. Daar kijk ik uit het raam naar het oude ziekenhuis van Curaçao dat naast het relatief nieuwe CMC, Curaçao Medical Center, ligt. En wat verderop de daken van de hotels in de buurt van de cruise terminal. Mijn overbuurman heeft bezoek en zij volgen intensief het nieuws over de inval van Trump in Venezuela, zo’n zeventig kilometer hier vandaan. Trump heeft Maduro gekidnapt. Het boeit mij maar matig.

Rond half tien komt de uroloog mij opzoeken. Een Zuid-Amerikaanse dame van rond de veertig jaar. We spreken Engels. Ze legt mij nogmaals uit dat er een niersteen zit, vlakbij de nier. En dat ze de CT-scan nog een keer heeft bekeken. Ze heeft besloten om de steen toch nu te verwijderen en niet eerst een omleiding te leggen. “In about an hour they will come to get you for the procedure.” Anderhalf uur later komen twee verpleegsters de zaal oplopen. De rem van mijn bed wordt losgemaakt en ze rijden me de zaal af de gang in. Via een doolhof van gangen komen we in een tussenruimte. Een brede schuifdeur aan het voeteneind van mijn bed leidt naar de operatiekamers. Een van de verpleegsters drukt op een bel naast de schuifdeur. In de verste zie ik twee mensen aan komen lopen, gekleed in lichtgroene pakken en een lichtgroene muts op hun hoofd. Een van hen stelt zich aan mij voor als de anesthesist. “Omdat de niersteen op een vervelende plaats zit, gaan we u onder volledige narcose brengen.” De intonatie waarmee ze het zegt, suggereert een vraag of om een bevestiging van mij. Het kan mij op dat moment allemaal niets meer schelen en ik zeg dat ik het prima vind. “Zorg maar dat ik er niets van mee krijgt.” De twee groene gedaanten rijden mijn bed naar het eind van de gang en we slaan rechtsaf een operatiekamer in.

 In de operatiekamer schrik ik van de drukte daar. Zes of zeven mensen zijn er druk bezig dingen te doen die kennelijk nodig zijn voor mijn operatie. “Wat een drukte hier,” zeg ik. De anesthesist legt uit dat die allemaal een taak hebben. Ondertussen staat mijn bed naast een gruwelijk smalle tafel. Ik word geholpen om van mijn bed over te stappen naar die tafel. Zodra ik lig worden mijn armen aan weerszijde op een plank gelegd die aan de tafel is bevestigd. Het beeld van de uitvoering van de doodstraf door een injectie in de USA schiet door mijn hoofd. Twee mensen sluiten allerlei plakkers aan op mijn lichaam en ze sluiten iets aan op het infuus in mijn arm. Dan roept de uroloog “Time out people.” Iedereen is stil en komt rondom mij heen staan. Hoe ik heet, vraagt ze. Ze controleren mijn naam aan de hand van het bandje om mijn linker pols. Ze controleren het patiëntnummer. “Why are you here?” is de volgende vraag. Ik zeg begrepen te hebben dat ze een niersteen gaan weghalen. “On which side is this kidney stone?” Aanwijzen gaat niet met mijn armen vastgesnoerd. Ik wijs zo goed en zo kwaad als het gaat met mijn hoofd en zeg dat die aan de rechterkant zit. Vervolgens maakt de uroloog een rondje langs alle aanwezigen en vraagt hen wat zij gaan doen. Ik luister niet meer en probeer mijzelf alvast in een narcose te brengen. Dan gaat iedereen op zijn of haar plek staan en de anesthesist zegt dat ze mij een slaapmiddel toedient. Ik kijk niet maar voel dat er een vloeistof in mijn arm wordt gespoten. “Denk maar aan een mooie plek, dan ga je daar een tijdje naartoe.”

Volledig gedesoriënteerd kijk ik vier vreemde gezichten aan. Ik zie hun mond bewegen maar ik hoor niet wat ze zeggen. Alles is wit en ik lig op mijn rug. Mijn hersenen draaien op volle kracht. Waar ben ik, wat is dit, wie zijn dit? Dan dringt er iets van de woorden tot mij door. “....goed gegaan” en “....straks een stuk beter.” Langzaam dringt het tot mij door dat ik in het ziekenhuis ben. Dan herken ik een van de vier gezichten, dat van de anesthesist. Een lief gezicht en een geruststellende stem. Nu herken ik ook de twee gezichten van de verpleegsters van de afdeling Kortverblijf, waar ik vanmorgen naartoe ben verhuisd vanaf de Acute Opname Afdeling. Zij hebben mij, geen idee hoelang geleden, naar de Operatiekamer gebracht. Een van de verpleegsters doet mijn operatiejurk omhoog. Ik zie een dikke buis uit mijn penis komen. Op mijn penis zit een grote pleister waar iets op is geschreven. “Daar staat don’t touch,” zegt ze lachend. De jurk gaat weer op zijn plaats en in mijn bed (hoe ben ik daar weer in terechtgekomen?) word ik terug gereden naar de afdeling.

De hoop om even te kunnen rusten en bij te komen is ijdel. Zodra ik op mijn plaats ben gereden halen de verpleegsters heel voorzichtig de dikke katheter uit mijn penis. Ze doen het heel langzaam en het doet pijn. Er lijkt geen einde aan te komen. Uiteindelijk ligt er een bloederige buis van zo’n dertig centimeter en zeker een halve centimeter in doorsnede tussen mijn benen. Ik zie nu dat er twee zwarte draadjes uit mijn penis komen en dat die met die pleister op mij penis zijn vastgeplakt. De verpleegster legt uit dat er nog een katheter in mijn lijf zit; tussen de nier en de blaas. Die wordt er over vier dagen uitgehaald door aan die draadjes te trekken. Dat gebeurt poliklinisch. Zolang hoef ik niet in het ziekenhuis te blijven. Ik moet veel gaan drinken en zodra ik weer een aantal keren heb geplast mag ik naar huis. Ik krijg een plasfles voor de eerste keren. Ik ben nog net op tijd om te zeggen dat ik wel iets wil eten. Een verpleegster gaat iets voor mij regelen en drie kwartier later komt er iemand mij een bord warm eten brengen. Het is niets bijzonders en ook niet veel. Ik overweeg om mijn buurvrouw te vragen ergens iets lekkers te eten voor me te halen en dat te brengen. Ik besluit haar er niet mee lastig te vallen. Als het goed is ga ik over een aantal uren naar huis.

Om vijf uur krijg ik brood met beleg en dat gaat er vlot in. Ik heb de operatiejurk verwisseld voor mij eigen kleren. Bij het omkleden ontdek ik nog een dunne synthetische deken. Ik herinner me dat ik die over me heen kreeg vlak voor ik de operatiekamer werd ingereden. Nu snap ik waarom ik het zo warm had in bed. Nu ik toch sta, ga ik op zoek naar het toilet. Het is erg stil op de afdeling. Net als in elk ziekenhuis proberen ze het aantal patiënten in het weekeinde zo klein mogelijk te houden. Het plassen doet pijn en er komt nog steeds bloed mee. Een verpleegster zegt dat dat nog wel een dag kan aanhouden. Daarna moet de urine weer helder worden. Om zeven uur komt een verpleegster bloeddruk meten, temperatuur meten en pijnstillers brengen. Ik neem alleen de paracetamol. Ze haalt het infuus uit mijn arm. Hoewel mij dat niet in de weg zat, voelt het toch als een bevrijding. Losgekoppeld van alles wat met ziek zijn te maken heeft.

Om acht uur komt de definitieve mededeling dat ik naar huis mag gaan. Ik ruim mijn spullen op, stop alles in mijn rugzak en maak nog een praatje met de overbuurman. Hij wordt morgenochtend geopereerd. Ik moet me melden bij de zuster post op de afdeling. Daar krijg ik een ontslagbrief waarin ook een afspraak staat voor komende dinsdag. Dan haalt de uroloog de inwendige katheter er uit. Opeens realiseer ik me dat ik gisteren, denkend dat ik alleen voor een CT-scan kwam, mijn auto in de parkeergarage van het ziekenhuis heb gezet. De parkeerkosten zullen wel flink opgelopen zijn. Ik vertel het de verpleegster. “Geen probleem. Geef de parkeerkaart maar. Dan stempel ik hem af en de portier zal zorgen dat u gratis kunt uitrijden.” Ik ben blij dat zelfs dit goed is geregeld.

Op het laatste moment lijkt er nog een kink in de kabel te komen. Een wat oudere verpleegster vraagt wie mij komt ophalen. Mijn antwoord dat ik mijn auto hier heb staan en zelf naar huis rij, wordt met een afkeurend gezicht aangehoord. Ze zegt dat dat niet de bedoeling is. Ik leg haar in papiamentu uit dat ik momenteel alleen ben en niet zou weten hoe ik dat anders kan regelen op deze zaterdagavond. Ik verzeker haar er van dat ik me inmiddels goed voel en dat ik dichtbij woon. Gelaten met een kleine glimlach kijkt ze me aan en maakt een gebaar alsof ze niets heeft gehoord. Ik ga op zoek naar de uitgang. Mijn auto staat moederziel alleen op de begane grond van de parkeergarage, gereserveerd voor personeel, zo ontdek ik nu. De portier had zich al afgevraagd van wie die auto was en kende zelfs mijn kenteken uit zijn hoofd. Mijn parkeerkaart wordt door een machine gehaald en ik rij naar buiten nagezwaaid door de portier.

Inmiddels is die inwendige katheter door de uroloog verwijderd en functioneert alles weer naar behoren. Ook het lichte dizzy gevoel, waarschijnlijk van de narcose, was na een kleine week verdwenen. Over drie maanden moet ik nog een keer terugkomen bij de afdeling radiologie en een paar dagen daarna bij de uroloog. Voor de definitieve afsluiting, neem ik aan.

Conclusies: Feestdagen kunnen altijd gekker dan je verwacht en gezondheidszorg hier op Curaçao is prima op orde.



woensdag 17 november 2021

Container MANU-2980504 Hengelo (Ov) – Mambo Beach BLVD (Curaçao)

 

In januari 2020, twee maanden voor de Corona uitbraak, gingen we voor het eerst naar Curaçao. Om een weekje de winter in Nederland te ontvluchten en omdat we daar nog nooit waren geweest. In de week daarvoor was ik in Malaga en omgeving om daar te ontdekken dat het voor ons geen ideale regio was om ons leven voort te zetten. Want dat plan hadden we al geruime tijd: verhuizen naar een plek waar de zon meer schijnt, het leven zich in een trager tempo afspeelt en waar letterlijk en figuurlijk meer ruimte is.

Op de derde dag van ons verblijf op dat schitterende eiland Curaçao, trokken we de voorlopige conclusie dat we daar wel op onze plek waren.  En toen begon het nadenken en fantaseren over hoe dat dan is, wonen op zo’n eiland. Wat gaan we er doen, waar gaan we wonen en wat moeten we regelen. Door een verschrikkelijke terugvlucht (heel veel vertraging, een oud gecharterd Portugees toestel met een dito cabin crew) kregen we ons geld van de tickets terug. Dat kwam mooi uit; konden we snel weer terug om verder te onderzoeken of Curaçao inderdaad onze toekomstige woonplaats zou worden. Als gevolg van de Coronapandemie werd de eerste mogelijkheid september 2020. Die week dat we er waren keken we nog bewuster dan in januari naar zaken als wonen en ondernemen op het eiland. Ons plan om naar Curaçao te verhuizen kreeg wat meer vorm en vastigheid.

 

In de maanden daarna werd ons besluit definitief, slaagde Jeannette erin haar winkel in Nederland te verkopen en startten we de voorbereiding voor ons vertrek. En zo kochten we in december 2020 een zeewaardige container van zes meter. De MANU-2980504. Hij stond op de Combi Terminal Twente (CTT) en kreeg daar een ereplaatsje, vlak bij het kantoor van de terminalbeheerder, naast de manschappenkantine. Handig want zo konden wij er steeds weer wat spullen inzetten.

En dan komt de dag dat MANU alvast op pad gaat naar Curaçao. Op 12 september vertrok hij, verzegeld en wel, op het elektrisch aangedreven binnenvaartschip de Borelli. Hij ging van CTT Hengelo naar de diepzee terminal op de Rotterdamse Maasvlakte. En laat hij meteen na vertrek uit Hengelo nou Almelo aandoen. Omdat we de Borelli volgden op Marine Radar, konden we precies zien waar hij was. Jeannette sprong op de fiets en filmde de vaart door Almelo. Je ziet MANU op het tweede deel van het schip dat in beeld komt. Het is die kleine blauwe!

Na een ongetwijfeld prachtige tocht door Hollands rivieren, belandde hij dus bij de grote jongens op de Maasvlakte. Daar werd hij op 16 september geladen op het vrachtschip de Elba. De Elba vertrok op 21 september uit Rotterdam en ging via Aruba naar Curaçao. De verwachtte aankomstdatum was 8 oktober.

 

Zelf vlogen we op 6 oktober naar het eiland en we zagen, ook weer via Marine Radar, de Elba al in de buurt van Aruba varen. Keurig volgens planning lag de Elba met onze MANU aan boord in de haven van Curaçao.

Toch zou het nog 20 dagen duren voor we de deuren van MANU konden openen. Dat lijkt een eeuwigheid maar hier op het eiland is dat niet heel erg lang. De eerste vijf dagen gingen zo’n beetje op aan het uitladen van de ELBA. Een plekje vinden voor MANU op de terminal in de haven. Het formele bericht aan de douane maken dat MANU was aangekomen en wat hij vervoerde. Dan is het ook nog even weekeinde natuurlijk.

Gelukkig zorgde de agent hier op het eiland er wel voor dat MANU na zes dagen van de terminal werd gehaald. Anders zou de stalling daar tot hoge kosten leiden. Met nog steeds het zegel uit Nederland intact werd MANU zo dicht mogelijk bij de winkel op Mambo Beach BLVD gezet. In afwachting van de douanier die hem zo inklaren.

De volgende vijf dagen was er regelmatig overleg tussen douane, de agent hier van onze vervoerder en ons. Allemaal logische zaken zoals: de rolcontainers waarin de huisraad is “verpakt”, maken geen onderdeel uit van de huisraad. De rolcontainers moeten dus officieel worden ingevoerd. En dan duurt het ook weer even voor iedereen hetzelfde beeld heeft bij “rolcontainer” en dus hetzelfde beeld heeft over de douane-waarde daarvan. En dat is het ook weer weekeinde.

Omdat we nog niet officieel staan ingeschreven op Curaçao, kunnen we de inboedel niet meteen invoerrechtenvrij binnenbrengen. We moesten een borg (ter hoogte van de invoerrechten) betalen en die kunnen we binnen zes maanden terugvragen. En dat zorgde ervoor dat de container pas mocht worden geopend, in aanwezigheid van een douanier. En daar was grote drukte. Maar op 28 oktober was het dan toch zo ver. Het zegel mocht er af en de deuren mochten open. Na een zorgvuldige globale inspectie van de inhoud en de controle van het chassisnummer van de motor die mee was gekomen, was alles in orde.

Nu eens kijken wat we met MANU gaan doen in de toekomst.

 

donderdag 22 april 2021

"Showroom" in Penstraat Curaçao (1)

 

Vroeger was er een televisieprogramma waarin excentriekelingen in beeld werden gebracht. Dat heette Showroom. Mooiste voorbeeld vind ik nog altijd het oude baasje Dirk van Noort die niet geloofde dat de mens op de maan was geland en in hartelijk lachen uitbarstte wanneer iemand hem probeerde te overtuigen daarvan. “En gij geleuft dat?” gierde hij dan van het lachen. 

Dirk van Noort
Dirk van Noort

Een andere aflevering die bekend is geworden was die waarin Jean Prick, een zeer volwassen Limburger, huilend vertelt dat hij hoopt ooit een Bugati van zijn vader te krijgen.

Terug naar Penstraat op Curaçao. Dat is de straat waaraan zowel ons hotel als de supermarkt waar we tijdens de lock down naartoe mogen wandelen, liggen. Vanwege de temperatuur hier, lopen we in een tempo dat daarbij past. Naar Nederlandse begrippen slenteren we dus.

Supermarket Boulevard

Zo slenterden we ruim een week geleden naar de supermarkt toen Carlos op zijn luxe ATB naast ons kwam fietsen. Na wat inleidende vragen (komen jullie uit Nederland, zijn jullie op vakantie) vertelde hij een zielig verhaal over een echtpaar dat bij hem in de buurt woonde, die de vulkaanuitbarsting op Sint Vincent waren ontvlucht (klopt dat daar enkele dagen daarvoor een uitbarsting was) en die nu geen geld hadden om elektriciteit te kopen. Kortom, een bedelverhaal met de potentie van de waarheid. Omdat ik niet zo geloof in het geven van geld, bood ik Carlos aan om samen met hem dan wat elektriciteit te gaan kopen. Veel huizen in de verhuur op Curaçao gebruiken het Pagatinu systeem, waarbij je een tegoed aan stroom koopt (supermarkt/benzinestation) en met de code je meter in huis weer “opwaardeert”.

Dat vond hij wel een goed idee. Toen hij in de gaten kreeg dat we zelf ook boodschappen gingen doen, was hij wel brutaal genoeg om voor zichzelf ook nog wat yoghurt en een flesje propaangas te vragen. Ook dat hebben we maar gedaan.

Tijdens onze wandeling terug naar het hotel kwam Carlos ons weer achterop gefietst en vertelde dat hij aan de Penstraat woonde. Hij wees ons zijn huisje aan. Daar woonde hij met zijn zus en zijn zoon, die in een rolstoel zat. Hij nodigde ons uit om vis te komen eten, die hij dan zou gaan “regelen”. Echt op z’n Curaçaos, met bonen en tomaten.

Stukje van Penstraat met rechts het huisje van Carlos

Het is er nog niet van gekomen. Een paar dagen gelden liep ik Carlos weer tegen het lijf. Hij kwam met een omstandig verhaal dat hij geen bericht had kunnen sturen over het etentje. Maar dat het zeker wel door zou gaan. Na nog wat beleefdheden probeerde hij het nog even: “Het duurt nog twee dagen voordat ik weer geld krijg, zou je mij misschien wat geld kunnen geven?”.

Ik ben benieuwd of we na deze mislukte poging nog een uitnodiging krijgen voor dat etentje. We gaan hem zeker nog wel een keer tegenkomen in de Penstraat….

Volgende week aflevering twee: Eddy de wijze Indiër en plantenexpert